Toen we eens wat literair deden.

Het internet en ik, we deden eens wat literair. Zomaar ende voor niks. Op aansturen van de nobele Geert Simonis, die ons op Twitter vroeg om 2 zinnen neer te pennen. De laatste van die zinnen werd dan gezwind doorgestuurd naar de volgende deelnemer aan het Cadavre Exquis, die er verder twee zinnen bijschreef. Het resultaat is – al zeg ik het zelf – een indrukwekkend epistel vol vreemde hersenkronkels. Een prachtig mormel als het ware.

Het originele concept is terug te vinden op “Ik, Geert Simons”, het eigenlijke Cadavre Exquis kan u hieronder bewonderen.

kindsoldaat op de olympische zomerspelen 1968

staand beeldt ze een schandpaal uit
staand beeld ik haar daaraan in
languit ligt ze lief als de maan
ik volg haar, adem haar jurk uit
maar ik stok en ik slik en ik snap dat
mijn ideeën zijn verdrongen door intenties.
verwaarloosbaar voor de goede geesten, maar
particuliere plaaggeesten voor geperforeerde perfecties
reguliere raadgevers voor satanische serveersters
tateren te veel, schoppen ongepast veel stennis.
en kruipen liever samen in een klupke
dan de waarheid – ongewassen, borf, bukkake – onder ogen te zien
Hij moest het wel aanvaarden, willens nillens, dat het niet meer anders kon.
Wee hun gebeente, dacht hij, en zette een plaatje van The Smiths op.
nog voor hij koud was sleepte de naald zich uit de laatste groef
en het eindeloos krassen won het van het kraken van het koord
Het peloton zweeg, een strop is te veel.
Vermits de beslissing wie erbij hoort
nooit zal vallen. Snap je dat?
Het avontuur wacht niet oneindig.
(knoop dat in je oren en je zakdoek;
Vertrek nu, eropuit, eropaf.)
Ons leven kunnen we gerust morgen nog vergallen,
maar verlies nooit de gave van het raaskallen.
Ze is al wat het leven draaglijk houdt wanneer de Maya’s ongelijk krijgen
Ze is de verandering van spijs en de beste saus
morgen struikel ik over de dood in haar ogen
ik waan me salomon als ik over haar oordeel
‘Ze wil het kind niet redden, ze kiest voor het geld
‘Zou ze mij nog kennen?’ de vraag die me uittelt.’
Ik stel ze niet, ze heeft mij nooit gekend.
Even deden wij alsof, maar de zwaartekracht kent geen gelijken.
Evenwijdig in het luchtledige waren we inwisselbaar
Tot ijdelheid de bovenhand kreeg en we lachten
In een poging heel even de pijn te verzachten
van het besef dat uiteind’lijk niemand zit te wachten op
overjaarse lijken die uit een binladenkast stuiteren
of bokken die de lente met domperpoten beduimelen
Waarom zouden ze niet vliegen, over huis, over tuin, over staak
Bereden door een donker gedacht, tot in de wijnkelders van Keulen

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s